Sri Lanka, één land, maar het voelt als meerdere werelden tegelijk

Sri Lanka voelt vanaf dag één als een land dat je herkent, terwijl je er nog nooit bent geweest. Het heeft iets van Zuid-India, met de tempels, de kleuren en het dagelijkse leven dat zich gewoon langs de weg afspeelt. Tegelijkertijd roept het herinneringen op aan Thailand, Vietnam en Indonesië. Maar waar die landen groot zijn en soms overweldigend, is Sri Lanka compact. En juist dát maakt het zo’n perfecte bestemming om enorm gevarieerd te reizen zonder dat je constant onderweg bent.

Na de rust van de Malediven komen we aan in Colombo en merken we meteen het verschil. Het verkeer is druk, het is warm, overal gebeurt iets. Onderweg richting Wilpattu kijken we onze ogen uit. Vismarkten langs de weg, boten die bij Negombo klaarliggen, vissers die eerst nog even bidden voordat ze de zee op gaan. Je ziet het leven hier gewoon gebeuren, zonder filter. Dat maakt indruk, zeker als je verder het land in rijdt en de sporen ziet van stormen en overstromingen. Huizen worden opnieuw opgebouwd, mensen zijn bezig, het leven gaat door.

En dan ineens zit je op safari. In Wilpattu stappen we over in jeeps en rijden een wereld in waar herten, vogels en zelfs beren zich laten zien. Later volgen nog andere parken, waar we olifanten zien, soms zelfs gewoon langs de weg. Dat is Sri Lanka: je hoeft niet ver te reizen om totaal iets anders te beleven. De afwisseling gaat moeiteloos. Van de jungle naar open vlaktes, van stilte naar leven.

Maar Sri Lanka is meer dan natuur. Het is ook cultuur, en die zit diep. We bezoeken tempels waar iedereen in het wit gekleed is, schoenen uit, voeten op warme stenen. De stilte binnen staat in schril contrast met de drukte buiten. We fietsen door steden, langs apen die soms nét iets te dichtbij komen en langs mensen die nieuwsgierig kijken, lachen en zwaaien. Het zijn geen toeristische hoogtepunten, maar momenten die blijven hangen omdat ze zo echt zijn.

Actief zijn hoort er hier ook bij. De klim naar de Leeuwenrots is er zo eentje. Hoog, steil en spannend, zeker met hoogtevrees. Maar stap voor stap, met hulp van de kids, halen we de top. Het uitzicht is groots, maar het gevoel dat je het gedaan hebt is misschien nog wel groter. Dit zijn van die momenten die je niet plant voor een foto, maar voor jezelf.

En dan is er de kust. We komen aan in Galle en vertragen vanzelf. Het verkeer raast nog steeds voorbij, maar wij niet meer. Op het strand zwemmen reuze schildpadden gewoon voor het hotel. Geen excursie, geen boot, gewoon het water in. Uren kunnen we hier kijken, snorkelen en vergeten hoe laat het is. Dit is weer een totaal andere wereld dan een paar dagen daarvoor, en toch zit alles in één reis.

Wat Sri Lanka zo bijzonder maakt, is dat het al die werelden combineert in een relatief klein land. Safari, cultuur, actief bezig zijn, bergen, tempels en uiteindelijk ontspannen aan zee. Je hoeft niet te kiezen. Het kan allemaal, zonder dat het gehaast voelt. Zeker met pubers werkt dat verrassend goed. Net als ze denken dat ze het wel gezien hebben, gebeurt er weer iets totaal anders.

Sri Lanka is geen bestemming die je in één woord vangt. Het is een beetje Zuid-India, een vleugje Zuidoost-Azië en toch helemaal zichzelf. Juist die diversiteit, gecombineerd met de korte afstanden, maakt het zo’n fijne plek om écht te reizen. Niet afvinken, maar beleven. En misschien is dat wel precies waarom dit land zo blijft hangen.

Geef een reactie